Menno de Bruyne is voorlichter bij de SGP Tweede Kamerfractie. Op deze plek geeft hij een kijkje achter de schermen van het hof en het Binnenhof

 

Menno20juniAdeldom verplicht. Wie vorige maand door koningin Beatrix tot ridder is geslagen of benoemd tot officier, die moet z’n stand ophouden. Zo niet, dan zwaait er wat. Of toch niet? Krijg je dan Marco Kroon-achtige toestanden, of hoe zit dat? Moet je bij onridderlijk gedrag je ordeversierselen dan weer inleveren ten paleize? Zo ver is het inderdaad ooit gekomen, en niet met de eerste de beste. Het gebeurde kort na de tweede wereldoorlog. In die dagen werden de Nederlanders voor het gemak ingedeeld in goed en fout. Fout waren de landverraders, degenen die met de ‘moffen’ hadden geheuld. Naast deze foute Nederlanders, had je de veel grótere groep Nederlanders die fouten hadden gemaakt. Echt fout waren ze niet geweest, maar goed evenmin.

 

Getrouw

 

Welnu, onder hen die fouten hadden gemaakt en hen die fout waren geweest, bevonden zich óók lieden die voor de oorlog door koningin Wilhelmina waren onderscheiden. Officieren dus, en ridders in de ordes van Oranje-Nassau respectievelijk de Nederlandse leeuw. „Eruit,” brieste  Wilhelmina, toen ze ervan hoorde. Zij duldde absoluut niet dat er foute elementen zaten tussen de door haar hoogstpersoonlijk gedecoreerden. Wie ooit geridderd dan wel ge-officierd was, had alleen al om die reden den vaderland getrouwe moeten zijn, verordonneerde de onverzettelijke vorstin.En zowaar, in 1948 toog er een tweetal commissies aan het werk om de Nederlandse ridderorden te ‘zuiveren’. Eén van degenen die het eerst werden aangepakt, was niemand minder oud-minister jhr. mr. D.J. de Geer. De Geer was minister-president toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land aanvielen. Eenmaal in Londen viel hij al snel in ongenade bij Wilhelmina. Te defaitistisch, vond ze, waarna ze de christelijk-historische politicus zonder pardon afzette. Toen De Geer daarna óók nog eens naar Nederland terugkeerde, had hij ’t bij Hare Majesteit verbruid.

 

Boete

 

Voor deze „schanddaden” (aldus Wilhelmina) werd De Geer in 1947 door het Bijzonder Gerechtshof veroordeeld tot één jaar cel (gezien zijn leeftijd voorwaardelijk) en een boete van twintigduizend gulden. Bovendien kreeg hij huisarrest in zijn woonplaats Soest. Tot overmaat van ramp werden hem in 1950 al zijn koninklijke onderscheidingen afgenomen.Met name dat laatste griefde De Geer diep. Hij beklaagde zich zeer: „Waarom ook dit nog? Is er voldoende reden om tot het nu weer openryten van de geslagen wond en het toebrengen van een extra leed, waartoe de mogelykheid slechts openstaat ter gelegenheid van onderscheidingen die ik nooit gezocht heb en die nu nog tot vloek zouden worden? Is het niet bitter, wanneer nu de niet-gezochte onderscheidingen werden verkeerd in extra-pynigingsmiddelen en ik op die wys het slachtoffer zou worden van myn eigen onderstelde verdiensten uit betere tyden?” 

 

Dolkstoot

 

En op 11 mei 1950, tien jaar en één dag na 10 mei 1940, beklaagde hij zich nog eens in dagblad Het Parool: „De thans beoogde dolkstoot is niet verdiend. Er is ook vandaag niets in mijn gedachten veranderd. Onverdiende onderscheidingen vielen onverdiend weg. Waarschijnlijk opdat ik met Paulus zou leren: ‘In alles ben ik onderwezen, beide overvloed te hebben en gebrek te leiden.'”