Artikelen

Buitenleven

Door

op

 

alt

Terschelling trekt toeristen het meeste aan door het ‘eilandgevoel’. „Zodra je op de veerboot stapt, begint het al”, vertelt een vaste gast opgetogen. “Je bent er even helemaal uit. Zodra ik de Brandaris zie en het knusse haventje binnenvaar, voel ik me thuis. Op het eiland zelf wordt dat gevoel steeds bevestigd. Het lijkt wel of het leven rustiger en meer ongedwongen is dan op het vasteland. Alle stress valt van je af.”

 

Het compliment van de badgast, zoals toeristen op Terschelling worden aangeduid, klinkt Hille van Dieren als muziek in de oren. De eilander in hart en nieren en eigenaar van het wrakkenmuseum in Formerum noemt de rust en de prachtige natuur de kenmerken die hem zo aan het eiland binden. „Verder natuurlijk de zee. Negen van de tien eilandbewoners willen de zee om zich heen hebben. Daar zijn we mee opgegroeid; we kunnen niet zonder. Zelf wil ik alleen op vakantie naar andere eilanden.” Volgens Van Dieren worden de meeste van de 4.800 eilanders gekenmerkt door hun vrijgevochten mentaliteit. „Met de jeep het strand op. Op zoek naar het avontuur: de stormen, de verhalen over schipbreuken en vooral het jutten. Dat zit in ons bloed,ook nu nog. Het bestaat gewoon niet dat er iets aanspoelt en je er niet bij bent. Dat is een ramp.”  


Fietsen

Veel badgasten laten hun auto vanwege de hoge kosten in Harlingen achter. Grote delen van het eiland zijn bovendien lastig bereikbaar met de auto. Een ontdekkingstocht per fiets is een aanrader. Terschelling kent namelijk een uitgebreid fietspadennet – totale lengte zeventig kilometer –
 en in elk vlek of buurtschap zijn fietsen te huur. Ondernemers zijn maar wat graag bereid die fietsen bij de veerboot af te leveren.

De ‘eilanders’ stelden een prachtige fietsroute samen: Sporen in het zand. De tocht is zo’n vijfenveertig kilometer lang en komt langs een groot aantal bezienswaardigheden. De route kan in één keer worden afgelegd of in meerdere etappes, zodat er voldoende tijd overblijft voor bezichtigingen. Opmerkelijk is dat bij het volgen van de stoeppaaltjes die de route markeren, er rekening is gehouden met de wind. Afhankelijk van de windrichting is er een route linksom of een tocht rechtsom, zodat tegenwind op vlakke stukken zo veel mogelijk wordt voorkomen en bos en duin maximaal beschutting bieden tegen de bijna altijd aanwezige bries.


Nova Zembla

West-Terschelling is het grootste dorp op het eiland. Het heeft ruim 2400 inwoners,
een bestuurlijk centrum met het gemeentehuis en de Brandaris die het aanzicht van eiland en dorp voor een groot deel bepaalt. Het plaatsje is in alle opzichten nauw verbonden met de zee en daarmee de scheepvaart. Die neemt nog steeds een grote plaats in in het dorpsleven. Onder meer door museum ’t Behouden Huys waar alles te vinden is over de geschiedenis van Terschelling: de grote brand van 1666, het goudschip Lutine en natuurlijk over ontdekkingsreiziger Willem Barentsz. Bezoekers kunnen het schip van deze beroemde eilander binnenstappen of een kijkje nemen in zijn hut op Nova Zembla, waar de bemanning overwinterde. Het museum is gevestigd in twee zeventiende eeuwse commandeurswoningen waarvan er in het oude deel van het dorp nog meer bewaard zijn gebleven. De woningen met mooie trapgevels werden ooit bewoond door scheepskapiteins die de huizen als bewijs van hun welstand lieten bouwen. Prachtig in zijn eenvoud is ‘Het wakend oog’ of het ‘Wachthuske’. Midden in het havengebied doet het gebouwtje dienst als clubhuis van de plaatselijke Schippers- en Watersportvereniging.

De haven van West-Terschelling maakt deel uit van de Dellewalbaai. Op flinke afstand is de vorm van de enige natuurlijke baai van Terschelling goed herkenbaar. Vanaf 1600 bedreigden opdringende stroomgeulen ruim 150 jaar lang het voortbestaan van het dorp, later dreigde de haven juist weer te verzanden. Tegenwoordig biedt de baai een veilig onderdak aan veer- en reddingsboten en plezierjachten.


Orkaan

Het traject van West-Terschelling naar Oosterend is grotendeels af te leggen langs de Waddenzee met zicht op de landaanwinning aan de zuidkant van het eiland. Een mooie route, maar dan worden wel liefelijke dorpjes als Midsland, Formerum en Hoorn gemist. Vandaar dat het zaak is tijdig af te buigen naar de doorgaande weg die het westen met het oosten van Terschelling verbindt, om een kijkje te nemen in Midsland. Dit is met ruim duizend inwoners het tweede dorp op het eiland. Met een gezellig winkelstraatje en een ‘stormvloedmerk’ in één van de gloppen – oftewel stegen – van het dorp. Een orkaan teisterde begin februari 1825 Terschelling zo zwaar dat de zeedijk het begaf. In Midsland liepen huizen vol water en klotste het tegen de hekken van de kerk. In de muur van een huis aan de Buitenlevenglop laat een tegel zien hoe hoog het water stond.

Hoorn is het dorp waar het jutten aandacht vraagt. Midden in het dorp, metnog geen vijfhonderd inwoners, staat de Sint Janskerk. Naast het fraaie kerkje staat de sjouw: een tijdbal. Dit is een hoge paal waar een tenen bal werd opgehesen, zodat de boeren op hun akkers konden zien dat het etenstijd was, of dat het tijd was om te gaan melken. Van half juni tot half september wordt de sjouw nog altijd om half twaalf gehesen en om half vier neergelaten. Hoorn – waar Sil de Strandjutter van Cor Bruijn zich afspeelt – heeft ook een drenkelingenmonument. Onder meer voor de drenkelingen van de Wilhelmsbrug die in 1863 in een vliegende storm vergingen. Aan boord waren 283 landverhuizers en 29 bemanningsleden. Van de landverhuizers overleefden slechts 25 de ramp, van de bemanning 26 personen. Meer dan 260 lijken spoelden aan op de Boschplaat. Boeren uit Oosterend en Hoorn brachten de lichamen over een karrepad – nu ‘de lijkweg’ genoemd – naar Hoorn waar ze werden begraven.


Aangespoelde goederen

Zo’n scheepsramp was geen uitzondering: per jaar strandden gemiddeld twaalf, dertien schepen voor de kust. Hoe hard het ook klinkt: de eilanders voeren daar wel bij. Ze kregen immers bergingsloon voor de aangespoelde goederen. Volgens oude verhalen hielpen al te gretige bewoners de golven een handje door een koe met een lantaarn op de hoorns het duin in te sturen om schepen naar het strand te lokken. Verder zou een predikant ooit hebben gebeden: ‘als er dan toch schepen stranden, laat het dan op onze kust zijn’. Feit of fabel? Wie zal het zeggen. Wel staat vast dat tijdens een eredienst de deur van de kerk in Hoorn eens openvloog en de kerkgangers te horen kregen: ‘Fon olles op stran!’ – van alles op het strand. Binnen de kortste keren zaten er alleen nog vrouwen en kinderen onder het gehoor van de predikant.

Na Oosterend – amper 150 inwoners – houdt Terschelling op. Het fietspad schampt natuurgebied de Boschplaat en kronkelt via duinen, bossen en meertjes terug naar West. De zee is altijd dichtbij en in de duinen bij Midsland aan Zee en West aan Zee wemelt het van de vakantiebungalows. De cranberryschuur midden in het bos vertelt van de prominente plek die het besje op het eiland inneemt. Rond 1839 spoelden na een schipbreuk vaten met bessen aan op het strand. Jutters die dachten dat ze wijn hadden gevonden, kieperden teleurgesteld de vaten leeg in de duinen. Zo ontstond de bessencultuur ver van Amerika, de bakermat van zure, rode bessen.

Verderop ligt het duinmeertje Doodemanskisten waarvan het een raadsel is hoe het aan zijn mysterieuze naam is gekomen. Even later eindigt de tocht op het lievelingsplekje van Hille van Dieren: Griltjesplak, het duin achter het Donkere Bos, een paar kilometer ten noorden van West-Terschelling. “Daar heb je een prachtig uitzicht. Het plekje is niet zo bekend, maar ik kom er wekelijks. Schitterend.”

Meer over Terschelling leest u in de GezinsGids van 3 november.