MennoMenno de Bruyne is voorlichter bij de SGP Tweede Kamerfractie. Op deze plek geeft hij een kijkje achter de schermen van het hof en het Binnenhof

Het is sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw zo goed als gebeurd met de excellenties in Nederland. Er is geen ambtenaar of Kamerlid, laat staan een vertegenwoordiger van het journaille, die het nog bestaat de bewindslieden met excellentie aan te spreken. We weten niet beter of er wordt alleen nog maar gemevrouwd en gemeneerd.

Dat is overigens werk van de dames en heren politici zélf. Het schrappen van de officiële aanspreektitel excellentie was een van de eerste ‘heldendaden’ van het rooms-rode kabinet-Cals-Vondeling (1965-1966). Er is nog wel af en toe een verdwaald bewindsman geweest die in een vlaag van deftigheid en/of hoogmoed zichzelf wilde laten aanspreken met ‘excellentie’, maar dat leverde meer hoon op dan aanzien.

Er waren overigens ook ambtenaren die moeite hadden met de nivellering van het ministersambt. Zeker zij die nog van de oude stempel waren. Eén van hen was de vroegere griffier van de Tweede Kamer, mr. W. Koops, een gedistingeerde gentleman die als hoogste Kamerambtenaar jarenlang naast de Kamervoorzitter op het voorzittersverhoog zetelde en deze met raad en daad ter zijde stond. ‘Sir Wolter Koops’ hechtte zeer aan stijl en goede omgangsvormen. Hij genoot van de laatste vleugjes decorum.

De komst van de nieuwlichters van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) werd door de griffier dan ook met enige zorg tegemoet gezien. Bepaald argwanend bekeek hij het non-conformistische staatssecretarisduo Marcel van Dam en Jan Schaefer. Toen die tijdens de lunch in het deftige Kamerrestaurant binnen kwamen zakken, de een in een vaal, versleten spijkerpak en de ander na een nachtje doorzakken nog verfomfaaider dan anders, moest mr. Koops even slikken. Stamelde bracht hij toen uit: „Goedenmiddag, excellenties.”

Hoezeer vroegere bewindslieden hechtten aan de officiële aanspreektitel, leert de minister van Justitie uit het vierde ministerie-Colijn, mr. C.M.J.H. Goseling. Toen hij nog gewoon Kamerlid was fietste hij iedere dat van en naar z’n werk broederlijk op het christelijk-historische Kamerlid Tilanus. Tótdat Goseling minister werd. Toen was het opeens gedaan met je en jij. Tilanus: „Ik noemde hem de eerste keer dat ik hem sprak Excellentie. (…) Hij liet het zich welgevallen. Ondanks onze goede verhouding was het niet meer op voet van gelijkheid, maar Excellentie.”

Van een andere bewindsman, de beroemde ir. Lely, gaat een ander verhaal. In de zomer van 1891 verbleef de nog jonge, veelbelovende ingenieur met z’n gezin op het ouderlijk buiten te Rheden toen daar twee heren over het tuinpad aan kwamen lopen. Het waren niemand minder dan de staatslieden Tak van Poortvliet van Van Tienhoven, die op dat moment in opdracht van koningin-regentes Emma een nieuw kabinet formeerden.

Toen ze eenmaal in de zonnige tuin neergestreken waren, bleek al gauw wat het doel van hun komst naar het verre oord was: of Lely ervoor voelde de portefeuille van Waterstaat, Handel en Nijverheid te nemen. „Dat sla ik niet af,” antwoordde de 38-jarige Lely dadelijk. ’s Avonds in de slaapkamer vroeg hij z’n vrouw naast hem te komen staan voor de spiegelkast en zei toen: „Mies, maak nu een buiging en zeg: ‘Dag Excellentie’.”