pink-ribbon-2Addie en Greet kregen de diagnose borstkanker

U heeft borstkanker. Addie Niewenhuijse-Bal (47) en Greet Geuze-de Jong (68) kregen beide zo’n drie jaar terug deze boodschap. „Over een jaar ben ik er misschien niet meer, dacht ik. Heel je leven stort in,” zegt Addie. „

Er zijn heel veel spanningen, maar de gedachte dat dit vanuit Gods hand komt geeft een zekere rust,” vertelt Greet.
Addie was altijd bang borstkanker te krijgen, omdat haar moeder het ook heeft gehad. „Ik ging elk jaar naar de dokter voor controle. In juni 2009 ontdekte ik een intrekking in de huid boven mijn borst en dat kan wijzen op borstkanker. Ik vond het lastig om zelf te voelen, dus maakte ik een afspraak bij de dokter. Hij voelde een knobbel. Waar ik altijd zo bang voor was, werd opeens werkelijkheid,” vertelt ze. „Daarna ging ik naar een verjaardag. Die stond in m’n agenda, dus ik ging er maar gewoon heen. Achteraf gezien vonden ze me daar erg stil. Ik kon op dat moment alleen maar denken: dus toch borstkanker. Je hele leven en dat van je man en kinderen stort in.”

 

Internet
De dokter verwees Addie naar het ziekenhuis. De chirurg gaf meteen al aan dat het waarschijnlijk niet goed zat. „De radioloog deed heel dramatisch. Hij zei: ‘Dit zit er zeker al maanden, als het geen jaar is.’ Dat betekent dat de kans op uitzaaiingen groot is. Daardoor verloor ik meteen veel moed. De volgende dag kreeg ik de uitslag. Ze vertelden dat ik borstkanker had en dat ik een operatie moest ondergaan. Gelukkig wel borstsparend. Daarna zouden ze kijken of er uitzaaiingen waren. Opeens ben je dan kankerpatiënt. Alleen dat woord is al heel confronterend,” zegt Addie. „In het ziekenhuis hebben ze een mamacare verpleegkundige. Als je zo’n heftige boodschap krijgt, ben je helemaal van slag en heb je veel vragen. Een arts heeft niet de gelegenheid om uitgebreid te begeleiden, maar die speciale verpleegkundige wel. Ze nam zelf contact met ons op en wij konden ook een afspraak aanvragen. Dat was heel fijn.” Addies man en kinderen doken thuis al snel achter de computer om informatie te zoeken over borstkanker. „Je kunt bijvoorbeeld opzoeken hoe groot de overlevingskans is bij een bepaald formaat tumor. Ik had het idee dat ze veel narigheid lazen en mij alleen het positieve vertelden. Dat vond ik erg akelig. We spraken toen af om het enkel met de informatie te doen die het ziekenhuis ons gaf. Dat gaf veel rust.”

In 2009 deed Greet, net als voorgaande jaren, mee aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker. „Ik vond het altijd spannend. Ik dacht net dat ik blij zou zijn als ik de brief met de uitslag weer binnen zou hebben, toen de huisarts op de stoep stond. Hij komt een negatief bericht altijd persoonlijk vertellen, dus ik wist eigenlijk meteen dat het fout was,” vertelt ze. Ook Greet kreeg meteen een afspraak in het ziekenhuis. De chirurg kon niets vinden en voor de radioloog was het ook niet duidelijk. De volgende dag kreeg ze de uitslag al. „Vaak duurt dat langer,” geeft Greet aan. „Zo’n periode van onzekerheid is heel zwaar. Je wordt heen en weer geslingerd tussen de angst of het borstkanker zal zijn en de hoop dat het meevalt. Het is dan fijn om de uitslag zo snel mogelijk te hebben.” In december moest Greet terugkomen. Er volgde weer een onderzoek, een röntgenfoto en een echo, want op de röntgenfoto was wel wat te zien, maar de chirurg kon niets voelen. Ook de radioloog kon niets vinden. De uitslag was precies hetzelfde. Daarom kreeg ze een MRI-scan, waarop weer iets te zien was. Een biopsie volgde en toen was duidelijk dat er sprake was van borstkanker. „Ik had borstkanker. Een zwaar beladen woord, maar wel werkelijkheid. Intussen was ik ruim een half jaar bezig. Je hoopt dat alles klaar is als je de uitslag krijgt, maar dan begint het eigenlijk pas.”
Indianenverhalen

Tien dagen na de uitslag volgde al een operatie bij Greet. „Die verliep gelukkig goed. ’s Morgens voor de operatie spoten ze contrastvloeistof in de poortwachterklier in mijn oksel om te zien of die aangetast was. Gelukkig was die nog schoon. Wat kleinere klieren waren wel aangetast en werden weggehaald tijdens de operatie die ’s middags plaatsvond.”
Bij Addie was de poortwachterklier helaas wel aangetast. „Toen zaten we er helemaal doorheen. Tot nu toe kreeg ik negatief bericht op negatief bericht. Je kunt het dan niet meer positief bekijken,” vertelt Addie. „Ik kreeg een zogenaamd okselkliertoilet, waarbij alle lymfeklieren weggehaald en onderzocht worden. Gelukkig bleek toen dat het bij die ene poortwachterklier was gebleven. Dat was de meest gunstige uitslag die je in die situatie kunt krijgen. De operaties vielen op zich mee, maar de psychische druk in die periode was groot. Ik was bang dat de ziekte te ver gevorderd zou zijn om goed behandeld te kunnen worden. Gelukkig was er behandeling mogelijk. De oncoloog benadrukte wel dat de nabehandeling zwaar zou zijn, vooral omdat het een jaar zou duren.”
Addie moest eerst chemotherapie ondergaan. „Daar hoor je veel indianenverhalen over. Het zou een zware behandeling zijn, waarbij je van het ene op het andere moment een soort griep kunt krijgen. Bovendien hoorde ik dat je hoofdhuid kan gaan prikken en je haar dan uitvalt. Van het ziekenhuis kreeg ik een boekje over chemotherapie waarin precies stond welke klachten je kunt krijgen. Ik zag er erg tegenop toen ik dit allemaal hoorde,” vertelt ze. „Tijdens zo’n kuur zit je een grote stoel met een infuus. Na de eerste keer wachtten we tot ik ziek zou worden. Mijn man belde regelmatig naar huis om te peilen of ik al klachten had. Maar ik werd helemaal niet ziek. Opmerkelijk genoeg had ik weinig last van moeheid. Het viel gelukkig erg mee en daar ben ik erg dankbaar voor. Tijdens de chemotherapie word je steeds geconfronteerd met je ziekte. Ook kom je daar allerlei zieke mensen tegen. Dat vond ik heftig.”
Na drie weken begon Addies haar uit te vallen. „Na het kammen zat er steeds meer in m’n borstel. Ik ging naar de kapper om een pruik uit te zoeken. Ze nam me mee in een kamertje met allemaal pruiken. Dat vond ik heel heftig. Ik moest opeens huilen. Na het uitzoeken van de pruik, moest ik met mijn man terugkomen om samen alles mee te maken. De kapster knipte mijn haar stukje bij beetje korter en haalde toen de tondeuse erover. Dat was confronterend, maar ik kon er redelijk goed mee omgaan. Daarna kreeg ik de pruik op en gingen we meteen naar m’n moeder om het te laten zien. Haar reactie was: ‘Oh, wat ben je knap.’ Dat was natuurlijk een hele leuke reactie. Zelf heb je het idee dat iedereen naar je kijkt. Ik zag ertegenop om naar de winkel te gaan, maar deed het toch meteen. ’s Zomers broeide het best wel en aan het einde van de dag gooide ik hem soms af. Mijn man en kinderen deden hem soms ook even op om te kijken hoe dit kapsel hun stond. We hebben er dus ook grapjes over kunnen maken.”
 

 

Bestralingsruimte
Greet hoefde geen chemotherapie te volgen, maar onderging drieëndertig bestralingen. „Ik wist niet wat ik me daarbij moest voorstellen, maar bij het radiotherapeutisch instituut stonden ze helemaal voor me klaar. Ze lieten me alles zien en legden het duidelijk en hartelijk uit. Dat was fijn, want iedereen die daar komt, heeft vriendelijkheid nodig. Voor de bestraling moest ik me gedeeltelijk uitkleden en naar de bestralingsruimte lopen. Dat is nog best een eindje lopen van de kleedkamer. Ze kijken of je precies goed ligt op de behandeltafel. Dan laten ze je alleen en begint de bestraling. Dat vond ik best heftig. Iedereen moet weg vanwege de felle straling en jij ligt daar gewoon. Het duurde gelukkig steeds maar een aantal minuten. De eerste week moest ik elke dag op een andere tijd. Daar werd ik heel zenuwachtig van. Steeds keek ik op m’n kaartje om de tijden te controleren. Daarna mocht ik gelukkig veel regelmatiger. Dat gaf meer rust. Ik mocht gebruikmaken van een taxi en was soms binnen een uur alweer terug.”

Na de chemokuren kreeg Addie ook bestralingen. „Dat vond ik vervelender dan de chemotherapie. Ik werd er erg duizelig van. Verder hield ik er niet van om in m’n blote bovenlijf door de lange gang naar de bestralingskamer te lopen. Dat voelde bijna een beetje mensonterend.” Greet en Addie hadden allebei weinig last van moeheid. Greet: „Iedereen informeerde steeds of ik al moe was. Maar ik had er helemaal geen last van. Dat schijnt niet vaak voor te komen.” Addie voegt toe: „Ik had verwacht dat ik nachtenlang zou liggen piekeren, maar ik sliep heerlijk. Ik ervoer dat ik kracht kreeg.” Greet herkent dat. „Ik ben een slechte slaper en lig gerust een halve nacht wakker. Daar moet je niet aan denken in zo’n periode van bestralingen. Maar ik sliep heerlijk en kon ’s ochtends goed uit bed komen. Daarin zag ik iets van Gods barmhartigheid. Na de bestralingen nam ik me voor om ’s morgens ook weer wat vroeger op te staan. Maar dat lukte niet meer. Toen begon ’s nachts het piekeren weer. Als ik niet kon slapen, zong ik soms een psalm in mijn gedachten. Dat gaf rust. De regels ‘Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven, Hoeveel het zij, genadig wil vergeven; Uw krankheên kent en liefderijk geneest; Die van’t verderf uw leven wil verschonen, met goedheid en barmhartigheên u kronen; Die in den nood uw Redder is geweest’ uit Psalm 103 spraken me bijvoorbeeld heel erg aan. Het gaf verwondering en bemoediging.”

 

Meer over borstkanker leest u in de GezinsGids van 14 juni.

We zijn benieuwd naar uw ervaringen rondom borstkanker, we roepen u daarom op om te reageren. Op deze manier kunnen uw ervaringen anderen wellicht helpen.