Artikelen

“De ramp leeft nog steeds”

Door

op

derampWadend door het water liep mevrouw Flikweert (86) naar het dorp. „De stroming werd zo sterk dat de golven mij iets oplichtten,” vertelt ze. Mevrouw L. van Klinken-Brouwer (81) moest vluchtten naar het dak van haar ouderlijk huis. „Plotseling voelden we een schok. We zagen onze huispantoffels drijven,” zegt ze. Twee vrouwen delen hun herinneringen aan de watersnoodramp van 1 februari 1953. Tientallen dorpen en duizenden hectares grond in Zuidwest-Nederland liepen onder water.

 

Zondagmorgen 1 februari 1953. Iets voor vijven tikte een dorpsgenoot op het raam bij de familie Flikweert in Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland. Mevrouw Flikweert: „De man zei: ‘De dijk is doorgebroken. Pak een schop en ga naar de dijk.’ Het was te laat, want het Oosterscheldewater stroomde al door de sloten en de lage gedeelten. Het ging heel snel en even later stond het al op de weg.” Ze bewoonde met haar man en dochtertje een herenhuis op een boerderij in de Vierbannenpolder. Ook dominee Kuin uit Ouwerkerk met zijn vrouw en kind woonden bij hen in, want zijn pastorie zou binnenkort afgebroken worden. Hoewel het hard waaide, was mevrouw Flikweert zaterdag nog op de fiets naar het naburige stadje Zierikzee geweest. ’s Avonds had de dominee hen gewaarschuwd dat de deuren van de grote, zwartgeteerde landbouwschuur opengewaaid waren. De schuur was leeg, want het vlas was een week eerder afgeleverd. Meneer Flikweert zette samen met de dominee de deuren vast. Ze dachten nooit dat de dijken door zouden kunnen breken. Bijna niemand dacht dat. Dus waren mevrouw Flikweert, haar man en dochtertje zaterdagavond gaan slapen alsof er niets kon gebeuren.


Door het water

„Mijn man wilde naar het dorp en liep met ons dochtertje en echtpaar Kuin richting Ouwerkerk, want de dominee wilde naar zijn gemeente. Zijn kind was al meegenomen door de Ouwerkerker die kwam waarschuwen. Inmiddels had ik voedsel en water op de zolder gebracht, want ik bleef liever thuis. Toch moest ik mijn man achterna, want alleen achterblijven was geen optie,” vertelt mevrouw Flikweert. Toen ze lopend vertrok, nam ze de al ondergelopen weg aan de voorkant van de boerderij. „De weg was onzichtbaar door het water. Aan de telefoonpalen zag ik ongeveer waar de weg liep. Bovendien voelde ik aan het gras onder mijn schoenen dat ik soms naast de weg liep, zodat ik kon corrigeren. Bijna aangekomen bij het dorp – inmiddels waadde ik door 45 cm water – was de stroming zo sterk dat de golven mij iets oplichtten.” Bij de pastorie was niemand. Wat zou er met haar man en dochtertje gebeurd zijn? Angstig liep ze terug richting de polder. Gelukkig kwam ze daar haar man, dochtertje en het domineesechtpaar tegen. Zij waren langs de achterkant van de boerderij vertrokken. Maar omdat de weg daar zo laag lag, moesten ze terugkeren en dezelfde hoger gelegen weg als mevrouw Flikweert nemen. Onderweg hielden ze elkaar vast om staande te blijven. Eindelijk bereikten ze het centrum van Ouwerkerk, de Ring rondom de dorpskerk, die nog droog was.


De kraan open?

Mevrouw Van Klinken maakte de watersnoodramp mee in het naburige Nieuwerkerk. Ze was 22 jaar en woonde met haar ouders, twee broers en een zusje thuis. Haar vader had een dwarslaesie en kon niet lopen. Ook zij waren ’s avonds gewoon gaan slapen. „We zeiden wel tegen elkaar: ‘Tsjonge, wat stormt het. De pannen op het dak waaien zelfs op.’ ’s Morgens kwam moeder uit de bedstee en ze stapte zo in het water,” blikt mevrouw Van Klinken terug. „’Leen,’ riep mijn moeder naar mijn vader, ‘och, nu denk ik dat de kraan openstaat.’ Maar de kraan was dicht. ‘Dan is de dijk doorgebroken,’ zei mijn vader. Moe riep naar boven, waar wij als kinderen sliepen, dat de dijk doorgebroken was. Allemaal plonsden we door het water en brachten samen de meubels op zolder. Mijn broers hielpen mijn vader naar boven.” Op advies van mevrouw Van Klinkens moeder werd ten slotte de trap naar boven gehaald om weg te kunnen. Ze zagen het water stijgen. Om elf uur ’s ochtends sloeg de kamerklok voor het laatst, zo hoog stond het water al in huis.


Scherpe hekpunten

De familie Flikweert bevond zich ondertussen nog op de Ring in Ouwerkerk. Daar stond het water lager, omdat de dorpskern hoger lag dan het omringende land. „Wij kregen onderdak bij bakker Boot op de Ring en mochten in hun bed slapen,” herinnert mevrouw Flikweert zich dankbaar. Haar man had laarzen en kon zodoende het dorp in. Vandaar kon hij de boerderij zien. De schuur was het eerst verdwenen. Met de tweede vloed, om vijf uur ’s middags, verdween ook het huis. „’Nu zijn we dakloos,’ zei ik tegen mijn man.” Even kijkt ze stil voor zich uit. „We bleven bij de familie Boot tot maandagavond,” vervolgt ze. „Ik zorgde bij mevrouw Boot voor het warme eten, toen een mosselvisser aanlegde met zijn boot bij het postkantoor aan de Ring.” Deze visser, Hubrecht Koster uit Yerseke, voer als eerste met zijn boot door het dijkgat bij Ouwerkerk. „We zagen hem aankomen door het gat. Dat gaf spanning door de enorme stroming daar: haalt de boot het of niet? Wie meewilde, kon mee met zijn boot. Tijd om te eten was er niet meer. Het liefst bleef ik in Ouwerkerk. Maar ik wilde ook graag naar mijn familie op Zuid-Beveland. Ik was bang voor de scherpe punten van het hek rondom het kerkhof. Wie weet zou de boot daarop lek stoten. Bovendien vertrokken we in het donker. Toch gingen we mee.” Gelukkig ging het goed toen ze via het dijkgat de Oosterschelde opgingen. Zonder problemen bereikten ze Yerseke.


Rijen steentjes tellen

In tegenstelling tot de familie Flikweert, waren mevrouw Van Klinken en haar familie nog niet in veiligheid. „We telden de rijen steentjes van het varkenshok om te zien hoe hoog het water al stond. Dat stijgen van het water was iets verschrikkelijks!” zegt mevrouw Van Klinken. Toen het water een meter op de zolder stond, begreep de familie dat ze het dak op moesten. Ze durfden niet op de lage zolder te blijven. „Door een zijraam klommen we een voor een op het dak. Mijn broers hesen pa door het raam. We gooiden dakpannen naar beneden om steun te hebben op de panlatten.” De hele dag zaten ze op het dak. Ze zagen mensen voorbij drijven in een bak of op ‘niets’. Ook huizen zagen ze instorten. Verder waren er verschrikkelijke sneeuwbuien. „Plotseling voelden we een schok,” vertelt mevrouw Van Klinken verder. „We zagen onze huispantoffels drijven. De voormuur was eruit.” Later verdween ook een stuk zijmuur, maar het dak bleef nog op zijn plaats. Om twaalf uur ’s nachts was het laag water, een kleine 1,50 m. De familie besloot het huis te verlaten en naar mevrouw Van Klinkens zus te gaan. „Mijn zus woonde vijftig meter verderop in een vrij nieuw huis uit 1938. We moesten snel zijn, want na enkele minuten zou het water weer stijgen door de vloed. Op de schouders van mijn broer werd ik naar het huis gedragen.” Ook de buren van mevrouw Van Klinkens zus waren daar. Ze hadden de zoldertrap als brug tussen de huizen gelegd en konden zo via het raam naar binnen komen.

Pas dinsdagochtend werden ze gered. De vissersfamilie Schot uit Zierikzee haalde hen op met hun boot. Na de vaartocht legde de boot aan bij Zierikzee, dat gedeeltelijk droog stond. „We hadden bijna niets meegenomen. Daar hadden mijn ouders niet aan gedacht,” herinnert mevrouw Van Klinken zich. „We hebben alleen het ‘vege’ lijf gered.” Vervolgens werden ze naar de ulo gebracht en kregen ze eten, drinken en droge kleding. Een boot bracht de familie dinsdagmiddag naar Dordrecht en vandaar op woensdag met de bus naar de Ahoyhallen in Rotterdam. „In de kerk van de gereformeerde gemeente in Rotterdam-Zuid vingen gemeenteleden ons op en verdeelden zij ons over de gezinnen,” vertelt mevrouw Van Klinken dankbaar. Uiteindelijk kwam ik bij groenteboer De Jong terecht. Mijn zus woonde daar ook met haar man en vijf kinderen.”

 

Meer over de ramp leest u in de GezinsGids van 24 januari